Vrouw, ken je plaats.

“Zwijg en doe wat je gevraagd wordt!” Een ‘Ik weiger’ doorgevende op de meest krachtig mogelijke manier dat je als kind kan doorgeven naar een volwassenen. Mijn ogen als vuur schietende naar de persoon die inmiddels zijn hand omhoog getild schuin boven mijn gezicht houdt. “Hij zou me toch nooit slaan op deze manier?”, komt een ogenblik angstig bij me binnen. Een aarzeling bij hem. Een diep weten bij mij dat zelfs als de hand mijn kaak zou raken ik me wederom omhoog zou rechten en met nog meer vastberadenheid de ogen zou opzoeken en respect zou eisen: “Ik heb ook het recht om hier te zijn!”
Alsof hij het gevoeld heeft. Een zucht. De hand zakt. Diep besef. Wat er ook van eis zou komen. Het zou niet de gevraagde impact op me hebben. Gebrul. Pijnlijk binnen komende verwijtende woorden. Ik verroer me nog steeds niet. Nog een poging. Zoekende naar een kwetsbare opening.  Geen te vinden. Hij druipt af. Ik blijf staan. Ogenschijnlijk triomfantelijk. Terwijl ik diep van binnen in elkaar gekrompen zit en de reeds aanwezig zijnde wonden nu nog meer open gereten probeer te sussen.
“Sterk blijven.”

 

Vrouw, ken je plaats.

Zeker van mijn stuk. Wijzende op het verschil van loon met een mannelijke collega. Een opsomming van mijn taken en de te dragen verantwoordelijkheden. In ijzige rust: “Je krijgt geen opslag.” Standvastig nogmaals een duiding op de disbalans. Het ‘niet eerlijk zijn’ van dit alles. Onverstoord een blijvend kijken naar het scherm.  Langs de neus weg volgt: “Ahja, dat kan.” Kwaadheid ontketent zich in mijn systeem. Onmogelijk mezelf rustig te houden. Tevergeefs zoekende naar connecterende ogen. Onverstoord bezig met ‘belangrijke’ zaken op het scherm. Kwaadheid slaat om naar lichte woede: “Hier is niets logisch en eerlijk aan! Ik eis dat je dit aanpast!” De blik nu wel op mij gericht. Een smalende grimas op zijn gezicht: “Ahja?” Een steek. Pijnlijke herinneringen aan mijn kindertijd. Angst, twijfel over mijn woorden,… Een energetische duw. Ik herpak me, recht mijn rug en kijk hem zelfzeker aan. Volmondig volgt: “Ja!” Achterover leunende in zijn stoel. Als door de duivel gevulde ogen en met triomfantelijkheid in de blik: “Jij hebt niets te eisen. IK ben de baas! En nu BUITEN!” Vol kwaadheid in het systeem verlaat ik de ruimte. “Ik laat het hier niet bij.”
Enkele weken later. Ontslag ingediend. Ogenschijnlijk liefelijk staat hij voor me. Fake ‘warme’ woorden. Het krijgt geen voeten aan de aarde. Kwaadheid volgt snel. “Ik eis dat je…!” Rustig sta ik recht. Plaats ik me een meter voor hem. Restanten van angst spelen even op. Slik. Vluchtig naar de grond kijkende. “Ben ik dit echt aan het doen? Is dit wel een goed idee?” Zoekende naar houvast. Een energetische duw. Met herwonnen kracht in de ogen kijkende: “Jij hebt niets te eisen. IK BEN MIJN EIGEN BAAS!”
Een ruimte gevuld met spanning. Weinig gevolg in woorden. Een dichtslaan van de deur. Schuddend en bevend terug op mijn stoel. Tranen als watervallen over mijn kaken. “Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig?”
De hevige strijd tussen conditionering en intuïtief voelen breekt los.

 

Vrouw, ken je plaats

Vlinders in de buik. Een heerlijk samenvloeien met een ander. De tijd. Als het gaan en komen van de seizoenen. Vlinders veranderen in… geheel iets anders.
“Moet jij nu echt OVERAL mensen kennen?!”, als je nog eens warm ‘hallo’ zegt aan een gekende voorbijganger. Een aangeven van wat belangrijk is voor jou krijgt een: “Jij overdrijft.” Tranen die vloeien door het ‘te veel zijn’ van alles worden onthaald met een: “Blijkbaar toch zo sterk niet hé jij.” Een “Er scheelt écht iets met je.” als er niet voldaan kan worden aan de sterk aanvoelende fysieke noden. “Zou jij niet beter wat minder eten?” aan tafel in het bij zijn van anderen. Woorden die je spreekt vanuit je waarheid krijgen een kille: “Wanneer ga jij eens je mond leren houden?”
Dit alles. Niet waardig geheel op te sommen. De druppel volgde vaak snel. Wonderbaarlijke omwentelingen werden daarop gemaakt. Spijt. Berouw. Lieflijke ‘Alsjeblieft blijf bij mij’-woorden en daden. Door angst en twijfel volgde vaak een her opflakkering. Tot ik de glasheldere speer eindelijk toeliet binnen te komen.
“Nu is het gedaan.”

 

Vrouw, ken je plaats

Ze nam mijn hand vast en een warme gloed kwam bij mij me binnen.
“Het wordt tijd dat je ziet wie je waarlijk bent lief kind. Niet die bloem. Neen. De boom die menig bloemen draagt.”
Beelden worden op mijn netvlies gebracht. Beelden van ik in mijn kracht. Ik met al mijn talenten uitdragende naar anderen die vervolgens ook in hun kracht komen. Een SAMEN krachtig zijn versterkende. Dieren ter ondersteuning naar me toegebracht en een omarmende magisch liefdevolle natuur om me bij mezelf te houden.

De shift volgde.

Aantrekking van zo’n zalig, mooie en warme energieën.
“Ik zie jou. Ik voel jou. Ik laat jou in jouw vrijheid. Ik laat jou toe puur te zijn.”

Gezegend en dankbaar.

Vrouw, ken je plaats. Ja. Wees maar zeker. Ik ken mijn plaats.